zondag 4 september 2011

hagedissen en lieveheersbeestjes tijdens intro.

1 keer per jaar, begin september stroomt Van Hall Larenstein vol met nieuwe studenten die op introweek gaan. Dat is een mooie kans om wat te laten zien van Velp en de omgeving. Zo ook op de opleidingsgerichte dag van Bos en natuurbeheer. 4 docenten en 2 LaarX leden doen op de Posbank hun best om wat te vertellen over de omgeving. Denk aan cultuur, planten, bomen, dieren en natuurlijk een discussie over de moeilijkste vraag ooit, wat is natuur? Ik mocht die dag vertellen over mijn favoriete onderwerp, dieren. Op de Posbank komt onder andere de zandhagedis voor. Deze hagedis liet zich gelukkig zien tijdens de excursie. Er kwam vlak achter me een juveniel diertje dat nog maar net uit het ei was gekropen langsgelopen. Een geweldige kans om deze mooie, prehistorische minidinosaurusjes wat beter te bekijken.

Verder zat de heide vol met het zevenstippelig lieveheersbeestje. Deze luizeneter is gelukkig nog volop te aanschouwen in Nederland. Om gelijk wat fabeltjes uit de wereld te helpen: het aantal stippen zegt niets over de leeftijd maar over de soort en lieveheersbeestjes plassen niet als je ze vast pakt, maar scheiden een gele bittere afweerstof af. Het zevenstippelig lieveheersbeestje wordt de laatste jaren flink beconcurreerd door het veelkleurig aziatisch lieveheersbeestje. Deze diertjes zijn ooit ontsnapt uit kassen waar ze werden gebruikt voor de biologische bestrijding van luizen, maar zijn nu massaal in het wild te vinden waar ze concurreren met de inheemse soorten. Zo zie je maar, biologische bestrijding kan ook schadelijk zijn voor de natuur.

Foto's en tekst: Robin Kraaij

zaterdag 3 september 2011

Tersc-HELL-ing!!!

Mijn naam is Christiaan Hoogendoorn en ik ben gevraagd om een verslagje te schrijven over het LaarX kampje naar Terschelling.

Ik ben al best bekend met dit soort kampen vanwege mijn lidmaatschap bij de JNM(Jeugdbond voor Natuur en Milieustudie). Maar voor diegenen die dat niet zijn zal ik de scène even scheppen:
Je bent met een groep knotsgekke natuurhippies een paar dagen lang in de natuur…
Dat is het eigenlijk. Dus als je van de natuur houd, en het reguliere curriculum van school niet voldoende je honger naar kennis stilt, dan zijn laarx bezigheden ideaal. Er word alleen wel van je verwacht dat je haar minstens 20 cm lang is of dat je een patriarchaal baardje bezit :D

Nou goed. Dat terzijde.

Nadat we met een dag!!! vertraging uiteindelijk op het eiland terecht kwamen gingen we gelijk los in de duinen vlakbij de haven. Met gevaar voor eigen leven waagden we ons tussen de struiken die vol zaten met rupsen van de Bastaardsatijnvlinder. Dit abominabele rupsje bezat haren met bijtende werking. Wie niet sterk is moet slim zijn, en wie niet sterk en niet slim is moet dan maar giftig zijn. We trotseerden duizenden van deze duivels in onze zoektocht naar zeldzame en leuke plantjes. En die hebben we gevonden: Duinviool, Duinorchis, Zeealsem, Keverorchis, Harlekijn en Zeekool. Deze laatste is eigenlijk gewoon een boerenkool maar dan aan zee. Ik weet al wel waar ik mijn stamppot mee maak volgende winter…
Als bonus zagen we nog een huiskat die zilvermeeuwen aan viel. Dat was natuurlijk ook hartstikke leuk.

Daarna was het zaak om ons naar de andere kant van het eiland te verplaatsen. Met 20 kilo bagage en windkracht 7/8 tegen gaan die dingen toch niet helemaal vanzelf.
Op het kamp aangekomen trachtte men om een enigszins een eetbare maaltijd te creëren met hun meegebrachte gasstelletjes. Ikzelf was zo lomp geweest om een hele oven mee te nemen. Dus ik sloot mij op in de douche om daar een pizza op te warmen omdat alleen daar een stopcontact was. Dit alles onder het genot van een broedend scholekster paar dat ons met intimiderende dansjes en gekrijs uit de buurt probeerde te houden(hij was ook constant aan het rellen tegen zilvermeeuwen wat leuke luchtgevechten tot gevolg had).

De volgende dag begonnen we met een falende zoektocht naar een hop. Dit unieke vogeltje(zo uniek dat er een hele extra ecologische familie is bedacht alleen om hem te kunnen plaatsen) was volgens Dutch birding gezien op Terschelling in een klein drassig duinvalleitje. Maar die hebben we dus, helaas, niet gezien. Wel zagen we een torenvalk die met de meest acrobatische capriolen een stel boerenzwaluwen probeerde te vangen maar daar uiteraard in faalde, ook leuk.
Hierna knalden we door naar de East-Coast van het eiland voor de wadlooptocht. Koen, die voor de Waddenvereniging exclusieleider is, wist zeer veel te vertellen over de waddenflora en fauna. Het doel van de tocht was de oesterbank die een kilometertje of twee van de kust aflag. Onderweg vingen we het ene na de andere interessante wezentje: Pietermannen, Krabben, Zeepaddenstoel, Platvissen, Zeedruiven, Gewone garnaal, Alikruiken en Wadpieren. Vooral die platvissen vond ik grappig, die beesten hebben een scheefgegroeid oog. Dat komt doordat ze de eerste weken nog gewoon 'rechtop' zwemmen. Op een gegeven moment vallen ze om. Aangezien het niet fijn zwemmen is met 1 oog in het zand, verplaatst dat oog zich naar de zijkant.
De lunch bestond uit wilde kokkels en zeesla…

De dag daarna stond ook in het teken van wadlopen, alleen nu was niet soortenkennis aan de orde maar ging het puur om epischheid. De tocht was een pak en beet 20 km lange wandeling rond de Boschplaat. Een unieke manier om de legendarische wadplaat eens van een andere kant te zien. De uitgestrekte baggervlaktes van oernatuur met in de verte en weilanden met interessante waddenvegetaties als zeekraal en de wetenschap dat deze plek nog niet zo vaak betreden was door mensenvoeten maakte het een leuke ervaring.
Extra sfeermakers waren wel de grote hoeveelheden dode dieren. Elke twee meter stutten we wel weer op een uitgemergeld karkas. Of het nu een onthoofde zeehond was, een meeuwenskelet met half verteerde resten eraan geplakt of volledig uitgedroogde platvissen. Het deed ons denken: keken we hier naar onze toekomst? Of juist ons verleden? Welk aspect van ons sterft er in het aangezicht van ontberingen? Ons hogere zelf? Of ons ego? Betekend het sterven van het ego niet juist dat we meer in contact raken met ons hogere zelf? Bewandelde we het pad der verlichting hier en waren alle karkassen symbolen voor de uitgemergelde wezens die we waren geweest voor we eraan begonnen die nu van ons afvielen? Uiteindelijk is verlichting onmogelijk zonder de dood van vele aspecten in jezelf.

Ok nu draai ik door. Het was een leuke wandeling, dat wil ik maar zeggen…

Buiten al deze leerzame en gave activiteiten moest er tussendoor natuurlijk ook nog gereld worden. Zo hebben we met z’n allen de lokale speeltuin getrashed en hielden we speerwerp competities gehouden met hooivorken en een oude schoen als doel.
Al met al een zeer geslaagde en leerzame paar dagen.

Tekst: Christiaan Hoogendoorn
Foto: Nico Schavemaker

dinsdag 30 augustus 2011

Er was eens een bos

Nou ja.. een bos is een groot wordt. En echt nieuw was het ook al niet. Eigenlijk is the New Forest maar een misleidende naam. Het bestaat al eeuwenlang uit open heidelandschap en plukjes eikenbos. Zo’n 900 jaar geleden werd dit gebied geclaimd als jachtterrein voor king William the Conqueror. Ook wel Willem 1, zoon van Robert le Diable. (Weten we meteen waar het Franse woord voor de gehakkelde aurelia vandaan komt!) The New Forest kwam onder de ‘Forest Law’ wat betekende dat de bossen met rust gelaten moesten worden vanwege het wild. Om de bewoners iets tegemoet te komen voor het feit dat zij geen gebruik mochten maken van de bossen kregen zij het ‘common right’ om hun vee gratis in het gebied te laten grazen. Ook mochten zij strooisel verzamelen, turf steken, klei afgraven en hun varkens in de herfst de mast laten eten. In de eeuwen die volgen word het gebied gebruikt als bron van hout voor de vloot van de koning. Door de ‘Forest Law’ was het vrijwel onmogelijk om het gebied voor iets anders te gebruiken. Daardoor raakte het in verval. In de 17e eeuw kwam er pas een bos- en wildbeheer waardoor het bos verbeterde. Eind vorige eeuw is de ‘Forest Law’ afgeschaft. Vandaag de dag wordt de wildstand niet echt gereguleerd en is er een groot contrast in het landschap te zien: oude bomen en zeer kort gegraasd gras. Verjonging vindt hier weinig plaats. Er zijn ‘enclosures’ gemaakt ten behoeve van de vernieuwing van het bos. Bijzonder om te zijn zijn de natuurlijke mini’enclosures’; hulst en andere struiken die de grazers met rust laten herbergen soms een boom(pje).Op dit moment is the New Forest een toeristische trekpleister die onder andere studenten Bos en Natuurbeheer lokt. Zo ook dit jaar. Met de nieuwe lichting van de major Natuur en Techniek zijn we op pad gegaan om dit gebied onder de loep te nemen. Zoals elk jaar zijn er veel interessante dieren en planten gevonden. Beenbreek, kartelblad, moerashertshooi, adder, vinpootsalamander, keizersmantel, heideblauwtje en noem zo maar op. Wil je meer weten over onze excursies in the New Forest? Lees dan volgend jaar rond deze tijd nog eens de blog!

Tekst en foto: Annemiek Slootweg

dinsdag 23 augustus 2011

Wind in de haren en een broedende Scholekster

Een dag te laat, door de vertraging met de ns, komen we op 30 april aan op het Waddeneiland Terschelling. Onze bagage laten we achter en gaan onze eerste kennismaking tegemoet met de planten en het eiland tijdens de excursie van Tim en Robin. Veel van de flora is aangepast aan het brak- of zoutwater milieu in de kwelders, of de voedselarme duinen. Tijdens de tocht komen we zeldzame orchideeën en andere interessante planten tegen. Na de excursie stappen we op de fiets om naar de camping te rijden. De tent opzetten vergt een goed geoefende campeertechniek, want het waait ontzettend.

’s Avonds vermaken we ons met het bereiden van het diner, kijken naar de broedende Scholekster die op ons tentenveld een nest heeft gebouwd en de ANWB Natuurgids: Door het voorlezen van de beschrijving raad de rest van de groep over welk plantje of beestje het gaat.

Even een testje:
Voorjaarsgeneratie geelbruin met bruinzwarte vlekken. Zomergeneratie bruinzwart met geelwitte en rode tekening. Komt voor in grote delen van Eurazië; ook bij ons algemeen. De soort vertoont een uitgesproken seizoendimorfisme. Beide vormen laten het typische landkaartpatroon op de vleugelonderzijde zijn.

Rara, wat is het?

Of

Onopvallend bruinachtig met zwarte vlekken; samen met de vuurpadjes de kleinste van onze amfibieën. Komt voor van het Iberisch Schiereiland noordwaarts tot Zwitserland en Duitsland, ook nog juist in Nederland. Vaak in steengroeven. Overwegend ’s nachts actief; valt op door de schelle roep, die aan klokgelui doet denken. In zuidelijkere streken kan met de roep verwarren met die van dwergooruil. Opmerkelijk is de broedzorg. De eisnoeren worden niet in het water afgezet, maar door het mannetje om de achterpoten gewikkeld en meegedragen.

Weet je het al?

Bron: ANWB Natuurgids, Ursula Stichmann-Marny en Wilfried Stichmann

Bij dit spel hebben de ouderejaars een duidelijke voorsprong aan kennis op de eerstejaars. Zullen wij over een paar jaar ook zoveel dieren en planten uit ons hoofd kennen en herkennen aan een enkele beschrijving?

De volgende dag gaan we wadlopen. Onze eigen Waddengids Koen vertelt ons alles over het wad, wat er leeft in de lucht, in de bodem en in de zee, wat er eet en wie afhankelijk is van wie. Hij laat ons op zoek gaan naar Strandkrabben; hoe onderscheid men het vrouwtje van het mannetje en hoeveel geslachtsdelen hebben ze? We zien en horen niet alleen, proeven hoort er ook bij. Dapperen onder ons maken Kokkels open (simpelweg door er twee tegen elkaar te draaien) en slurpen ze naar binnen, net als een oester.
Per toeval ontdekken we een Keverslak op een gevonden Japanse oester. Robin doet de ontdekking en begint enthousiast te vertellen. Dit beestje lijkt een beetje op een in de zee levende Pissebed. Ze horen tot de primitiefste weekdieren die nu nog op aarde leven en kwamen al voor in het Ordovicium (ca. 500 - 440 miljoen jaar geleden).

Maandag is de grote dag van de gevreesde Boschplaatwandeling. Een wandeling door de duinen en het wad, langs de oostelijke kant van het eiland, die de hele dag zal duren. Alleen als je zin hebt in uitdaging mag je mee, zo luidt het advies. Met allerlei hulpmiddelen (wandel- en wadloopschoenen, regenkleding en eten voor de hele dag) beginnen we met een aantal van ons in de duinen. De anderen gaan flora en fauna kijken in de duinen. Na de duinen komen we aan bij de zee en het wad waar het enorm stuift en waait; slierten van zand halen ons steeds weer in. Een gevonden vlieger onderweg herinnert aan een warme stranddag, iets dat ver weg lijkt op dit moment. Een gevonden dode zeehond zonder kop, uitgedroogde vissen en de skeletten van vogels vertellen het verhaal van barre omstandigheden.

Moe, uitgewaaid, maar zeer voldaan komen we terug bij de tent. Een mooie afsluiting van deze ontzettend leuke en leerzame excursie!

Rosa Diemont
1e jaar Bos- en Natuurbeheer

woensdag 27 juli 2011

Nieuws uit verre streken

Nou hebben wij als Van Hall Larenstein in Velp natuurlijk een prachtig Landgoed met veel interessante planten en modeltuinen. Je zou er je hele schoolcarrière kunnen besteden aan het vergaren van kennis en nog niet alles weten over ieder plantje en diertje dat er te vinden is! Toch is het voor sommige studenten niet genoeg! Deze mensen willen meer, veel meer. Ze gaan op zoek naar uitdagingen en avonturen buiten het Landgoed. Sommige blijven netjes binnen de Nederlandse Landsgrenzen zoals vastgesteld in 1963, maar andere gaan daar ook ver over heen. En dan begint het vaak echt interessant te worden.

Neem bijvoorbeeld Appie van de Rijt. Hij studeert Tropical Forestry en is dus echt typisch een van die mensen die aan onze 17Ha nooit genoeg zal hebben. Voor zijn eerste stage besloot hij het toch wat dichter bij huis te houden, logischerwijs vertrok hij vervolgens naar Panama. Zelf geeft hij als reden voor deze onbehoorlijk verre reis, dat het hem daar wel lekker tropisch leek en dat hij had gehoord dat “het een ontzettend mooi land” zou zijn. En wat ging hij daar dan doen? Naar eigen zeggen is hij daar bezig geweest met het helpen begeleiden van alles dat komt kijken bij een Teak plantage. Van het nameten van vakken met behulp van GPS tot het bewerken van grond en verzorgen van oudere plantages, Appie heeft het allemaal gedaan! Maar natuurlijk maak je in Panama nog veel meer mee. Benieuwd? Kijk dan op de verhalensite van Tropical Forestry. Daar vind je het hele verhaal van Appie en vele andere Tropical Forestry studenten. Dan merk je gelijk dat de wereld wel wat groter is dan die krappe 17 ha.

Foto: Appie van de Rijt
Tekst: Tim van leeuwen

maandag 13 juni 2011

Prachtige schubben

In deze blog worden een aantal prachtige vlinders (ofwel Lepidoptera, letterlijk schubvleugeligen) beschreven die we tijdens onze natuurtochten tegen zijn gekomen. Dagvlinders onderscheiden zich van nachtvlinders door de vorm van hun antennes. Bij dagvlinders zijn de antennes gaaf, niet geveerd, en eindigen ze in een knopje. Bij nachtvlinders zijn de antennes meestal draadvormig of geveerd en eindigen ze (meestal) niet in een knopje. Het is dus niet zo dat nachtvlinders alleen s’nachts actief zijn! Je hebt ook dagactieve nachtvlinders. Maar in dit blogje gaat het alleen over “echte” dagvlinders. Wil je meer weten over de verschillende dag en nachtvlindersoorten dan kun je kijken op de website van de vlinderstichting.









De eerste vlinder die we tegenkwamen was het Bruin zandoogje (Maniola jurtina). Deze zat in een kalkgraslandje bij Eys en deze bruin met oranje vlinder is heel algemeen in Nederland. Hij is makkelijk te onderscheiden van de andere zandoogjes door dat de binnenkant van de vleugels helemaal bruin is. Bijzonder is dat deze vlinders wel tot 30 dagen (!) oud kunnen worden. De eieren worden afgezet op diverse grassen bijvoorbeeld Gewoon reukgas of Grote vossenstaart. Vervolgens overwinteren de vlinders als jonge rups en na de verpopping verschijnen de vlinders meestal begin Juni.









Ook dit klein geaderd witje (Pieris napi) is een algemene vlinder. Deze vlinder vind je vooral langs bosranden en in vochtige graslanden. Ze lijkt heel erg op het Kleine koolwitje, maar deze heeft niet een prachtige doradering aan de binnenvleugels. De rupsen eten voornamelijk Look-zonder-look en Pinksterbloem. De vlinder overwintert als pop hangend aan een stam of steen op een beschutte plaats. De vlinders kennen drie generaties, in sommige goede jaren zelfs vier. Het eerste Klein geaderd witje word meestal gezien rond begin April.









Een ander familielid van de witjes is het Boswitje (Leptidea sinapis). Dit zeldzame en verborgen levende vlindertje word naast Limburg alleen op twee plaatsen in Noord-Braband en op een plaats in Gelderland gevonden. Voor deze vlinder moet de omgeving een beetje ruig en struwelig zijn met liefst ook wat bos in de buurt. Bosranden zijn dus ideaal, maar de ene bosrand is de andere niet. Wil je dit vlindertje in de bosrand aantreffen dan zul je toch echt wel met wat bijzonders moeten komen! De bosrand moet lekker zonnig zijn, dus het liefst op het zuiden. Dan moeten er ook nog voldoende vlinderbloemige aanwezig zijn, zoals veldlathyrus en rolklaver, dat als voedsel dient voor de rups. Maar als je alles goed doet is de kans redelijk groot dat de vlinder er nog kan komen ook. Het Boswitje word namelijk gezien als een van de mobielere vlinders, al zou je dat niet zo zeggen als je ze ziet vliegen. Ze kunnen schijnbaar toch zonder enig probleem 4 kilometer afleggen als ze op zoek zijn naar een partner. Zo zie je maar weer, de natuur zit vol verrassingen!









Het is niet al te groot, een beetje oranje bruin achting, en lijkt wel een beetje op een nachtvlindertje. Toch is het Groot dikkopje(Ochlodes sylvanus) geen nachtvlinder maar een dagvlinder (goed te zien aan de antennes). De rupsen van dit algemene vlindertje zijn net als die van het Bruin zandoogje echte graseters. Het rupsje dat uiteindelijk uit het eitje tevoorschijn komt maakt een kokertje van blaadjes om de winter door te komen. Begin Juni komen de eerste vlinders tevoorschijn.









In Limburg zijn natuurlijk ook zeldzamere vlinders te vinden! Zoals deze Grote parelmoervlinder (Argynnis aglaja). Deze zeer zeldzame standvlinder plant zich in Nederland tegenwoordig alleen nog op enkele plaatsen op de Waddeneilanden en op de Hoge Veluwe. Hij stelt dan ook moeilijke eisen aan zijn omgeving! Zo moeten er in het leefgebied voldoende viooltjes zijn waar hij zijn eieren op af te kan zetten. Maar ook moeten er in de buurt voldoende nectarplanten zijn als Knoopkruid, Akkerdistel, Kale jonker en Braam! Gebieden die groot genoeg zijn om deze twee kenmerken te hebben zijn er in Nederland helaas maar weinig. De vlinder op de foto is dan waarschijnlijk ook een vlinder op doortocht. De vlinders kunnen tot 10 km ver vliegen voor voedsel of paarplekken! Geen wonder dus dat dit prachtige beestje zijn weg naar Limburg heeft gevonden.









Een familielid van de Grote parelmoervlinder is (je raad het nooit!) de Kleine parelmoervlinder (Issoria lathonia). Deze vlinder is iets algemener dan zijn grote broertje maar toch niet een heel alledaagse verschijning. Zij doet het het beste op droge, warme, schrale graslanden met enkele open plakken waar ze kunnen zonnen. Ook deze vlinder is als rups afhankelijk van viooltjes, maar eten als volwassen dieren ook graag nectar van koninginnekruid en slangenkruid. Een echte vlinder van duinen en duinvalleien dus! Zoiets als Terschelling dus waar we deze vlinder gezien hebben tijdens de LaarX excursie. Maar gelukkig voor ons ook in Limburg.










De Volgende vlinder is ook een van de parelmoervlinders maar wel een hele bijzondere. Van deze Veldparelmoervlinder (Melitaea cinxia) zijn sinds 1959 geen eieren meer in Nederland aangetroffen en zij is sindsdien ook alleen nog maar bekend van sporadische waarnemingen. Dit jaar zijn er in Zuid Limburg extreem veel waarnemingen en is de vlinder ook gezien op plaatsen waar zij voorheen nooit is gesignaleerd. Misschien dit jaar dan toch weer voortplanting? Wie weet, het habitat is wel aanwezig. Deze vlinder houd namelijk vooral van droge graslanden met veel kruiden. Ook moet er veel Grote weegbree staan zodat zij goed eitjes kan afzetten. Wij hebben er in ieder geval al zeker zeven gezien dit jaar, nu wachten op de eerste rupsen!









De laatste van de aurelia’s die we in deze blog behandelen is de Gehakkelde aurelia (Polygonia c-album). De laatste want de voorgaande parelmoervlinders zijn directe familie van deze algemene vlinder, al zou je dat niet direct zeggen. De gehakkelde aurelia word over heel Nederland gevonden, zelfs op landgoed Larenstein. Duidelijk te herkennen aan de witte c op de onderkant van de vleugels en de gerafelde randen vinden we deze vlinder langs bosranden en in tuinen. De rupsen, die van achteren op vogelpoepjes lijken, leven van grote brandnetel. Als de rupsen vol gegeten zijn verpoppen ze en worden ze vlinders. De vlinders kun je bijna het hele jaar door vinden. zelfs heel vroeg in het jaar omdat deze soort als vlinder overwinterd. Een vroege vogel dus!









Een verrassingen was deze Eikenpage (Favonius quercus). Nooit gedacht deze vlinder nog eens van zo dichtbij te zien omdat het grootste gedeelte van zijn leven zich hoog in de toppen van bomen afspeelt. Ze paren in de boomtoppen. Ze leven als rups in de toppen van de bomen waar ze zich voeden met de eikenknopjes, en dan ook nog eens alleen s’nachts! De verpopping is de enige levensfase die zich op de grond kan afspelen. Nadat ze zijn uitgekomen vliegen de vlinders direct weer naar boven, om alleen nog naar beneden te komen om te drinken van dauwdruppeltjes. Al met al een bijzondere ontdekking dus. Staan er bij jou in de buurt ook hoge eiken op een zonnige plek, dan zit er toch wel een kansje in dat je misschien ooit een keer een zelfde soort ontdekking gaat doen! De vlinder is namelijk niet heel zeldzaam en verspreid over het hele land waargenomen. Kijk op een zonnige dag maar eens naar de top van een grote eik. Zie je een vlinder, dan is er een kans dat het een eikenpage is!









En als klap op de vuurpijl de kleine weerschijnvlinder (Apatura ilia). Deze vlinder is al sinds 1994 niet meer in Nederland waargenomen! Maar na een afwezigheid van ruim 17 jaar is er toch eentje zo dapper geweest om de oversteek te vanuit België of Luxemburg te wagen. En als zoiets gebeurd gaan wij er natuurlijk direct achteraan om voor jullie een goede foto te maken! Das nog niet zo makkelijk als je bedenkt dat deze vlinders voornamelijk boven in de bomen rond vliegen. Gelukkig stonden er in het gebied waar de vlinder was gesignaleerd niet zo veel wilgen (een belangrijke waardplant, maar ook het sap van de luizen die op deze bomen zitten is ook een belangrijke voedselbron) dus dat vergemakkelijkte het zoeken enigszinds. Maar als je dan gaat zoeken zijn de wilgenbomen wel weer erg groot en is de vlinder wel weer erg klein. Bovendien is het beest van binnen wel prachtig blauw oranje weerschijnend maar van buiten voornamelijk bruin, zoals ook te zien is op de foto. Maar na enkele minuten zoeken was hij dan toch gevonden, rustend op een boom, terwijl hij met zijn roltong korstmos aan het afzoeken was naar lekkere luizenpoepjes. Je moet er maar van houden. Een bijzondere vondst dus en wat mij betreft ook een gepaste afsluiter.

Foto's: Robin Kraaij (met uitzondering van het Klein geaderd witje, die heb ik namelijk gemaakt)
Tekst: Tim van Leeuwen

donderdag 26 mei 2011

Een lange zoektocht word beloond

Ken je dat gevoel? Je bent iets kwijt (bijvoorbeeld in je kamer). Je weet dat het daar ergens moet zijn, dat moet want daar heb je het voor het laatst gezien. Maar je hebt echt geen idee waar je moet beginnen. Je kamer is een grote puinhoop (die van mij tenminste altijd wel) en het gene dat je zoekt is nou niet heel opvallend en groot. Geen beginnen aan dus.
Stel je een dergelijke situatie voor alleen dan in een grasland. Hier ben je alleen niet op zoek naar iets dat je kwijt bent, maar naar een plant die je graag wilt vinden. De plant in kwestie is natuurlijk niet zo groot en het gras waar je tussen moet zoeken is natuurlijk heel erg hoog. Daarbij komt nog eens dat de plant bovendien vrijwel geheel groen is en je uit betrouwbare bron hebt vernomen dat er maar twee in staan. Het zou je bijna tot waanzin drijven.
De Gelobde maanvaren (Botrychium lunaria) is de plant is kwestie. Met zijn lengte van ongeveer één tot anderhalve centimeter zou je kunnen zeggen dat het niet een van de grotere planten van onze flora is. Het grasland in kwestie is een gebied van ongeveer een halve hectare, langs het spoor bij Eys. Best een mooi gebied maar na drie dagen (!) zoeken ben je het wel zat.
Vandaag was de dag dat Robin en ik toch nog besloten één poging te wagen. Op de knieën door het grasland zochten we minutieus centimeter voor centimeter af. Ik was al bijna klaar het op te geven toen ik een kreet van blijdschap hoorde. Deze vreugdekreet werd geslaakt door Robin die slechts enkele meters van mij vandaan zat. Toch nog gevonden dus! Toen snel deze foto gemaakt voor we hem weer uit het oog verloren. Zo zie je maar, de aanhouder wint!

Foto en tekst: Tim van Leeuwen